Geen woorden voor

5 mrt 2019

Geen woorden voor

We gebruiken taal dag in dag uit als verbindend middel. En waar hebben we het over? Waar gaat het over? Waarvoor gebruiken we onze taal? En gebruiken we onze taal wijs?
In het bedrijfsleven lijkt het om geld te gaan, maar gaat het in werkelijkheid over mensen. In het onderwijs lijkt het om prestaties te gaan en in werkelijkheid gaat het om kinderen en jongeren die proberen meer en meer zichzelf te worden en samen onze, eigenlijk hun, samenleving inhoud- en vorm te geven geven. En zo gaat het in de muziek niet om de noten, maar om de beleving. En gaat het niet om de wandeling, maar om de stap. En gaat het misschien niet om het verlangen, maar om de drang, niet het afscheid, maar het gemis. (Willem Vermandere is een heerlijke bron).

Als taal erbij komt kijken, vraag ik mijzelf vaak af of het er beter van wordt. Duiden we wel waar het om gaat? We zien dat in het bedrijfsleven waar we de functioneringsgesprekken kennen. Een gesprek dat gaat over het werk en de mens. Een gesprek waarin de mens vaak helemaal niet erkend wordt. De taal past niet bij wat we werkelijk aan verbinding nodig hebben. We durven de juiste vragen niet te stellen, we durven de echte antwoorden niet te geven – niet aan elkaar, mogelijk ook niet aan onszelf. Sterker nog: We vinden er vaak de woorden niet voor.

Onlangs schreef Michiel de Hoog een prachtig artikel over sollicitatiegesprekken: De slechtste manier om een goede werknemer te vinden? Sollicitiatiegesprekken! Een informationeel mijnenveld.

In zijn paper over de misleiding door sollicitatiegesprekken – Belief in the Unstructured Interview: The Persistence of an Illusion – illustreert Harvardonderzoeker Jason Dana dit met een anekdote.

Een vriendin van hem kwam een keer op sollicitatiegesprek, keurig vijf minuten te vroeg. Na een prettig gesprek kreeg ze direct de baan aangeboden. Ze hoorde ook wat de doorslag gaf bij de werkgever: de sollicitatiecommissie was onder de indruk geweest van haar kalmte, hoewel ze 25 minuten te laat voor het gesprek was verschenen.
25 minuten te laat?
De kandidaat had een andere tijd doorgekregen. Ze was kalm gebleven omdat ze niet wist dat ze te laat was. Als ze dat had geweten, was ze zeker zenuwachtig geweest.
Maar die baan kreeg ze – op basis van een karaktereigenschap die ze niet heeft.

Zo is er ook een boek met de titel: They have a word for it. Het is een merkwaardige lijst van uitdrukkingen die slechts in één taal bestaan. Volgens de auteur, Howard Rheingod, betekent het vinden van de naam voor iets de garantie van het bestaan ervan. We denken en gedragen ons op een bepaalde manier omdat we woorden hebben die onderbouwen wat we doen. Op die manier vormen woorden gedachten en voor ons mensen onderbouwingen en houvast. Een voorbeeld van deze groep unieke woorden is Baraka: een Arabisch woord voor spirutele energie die voor werledlijke doeleinden kan worden gebruikt.. Of Won: het Koreaanse woord voor de weerzin om een illusie op te geven. Of, één die in deze column goed past: Mokita: Het woord uit één van de Papoea-talen voor de waarheid die iedereen kent, maar die niemand uitspreekt.

We kleden het vakmanschap van een leraar (leerkracht, docent) vaak uit tot een lijst van didactische en pedagogische kwaliteiten. Waardevol, zeker. Maar als het op echt waarderen aankomt (door collega en leerling), dan is het toch lastig daar een onderbouwing voor te geven. We zoeken naar woorden als verbinding een verbinder, erkenning / gezien worden, niet een zender maar een inspirator of inspirerend iemand. Als we de leerling willen waarderen, drukken we dat nu uit in toetsresultaten, houding, diploma's of opleidingsniveau. Maar welke waarde geven we dan eigenlijk? En waartoe leidt deze vorm van waarderen? Schiet onze taal hierin te kort? Doen wij kinderen te kort?

De leraar is uiteindelijk de mens voor de klas. Met allerlei bagage: algemene ontwikkeling, innerlijke kracht, onderzoekende houding, spirituele ontwikkeling en een diversiteit aan persoonskenmerken – bagage waarvoor we soms enorme waardering hebben zonder er goed woorden aan te kunnen geven. Zoals de leraar economie die over de oude economie evenveel en even boeiend kan vertellen als over de nieuwe economie. Zijn eigen geworstel ermee kan delen. Die het eigenlijk ook niet weet (geen woorden heeft) en tegelijkertijd een pilaar is voor kinderen en jongeren.

We richten ons zo makkelijk op het zichtbare, het benoembare. Het onzichtbare gedeelte verdient echter ook onze aandacht. Dat gedeelte dat we niet meteen vullen met woorden, maar met stilte. Niet met vragen maar met kijken. Niet met iets willen maar met onvoorwaardelijk delen. Niet met haast, maar met rust. Van daaruit groeit iemand uit tot een persoon waar we ons graag in herkennen. Wie deze persoon is? Daar hebben we dan weer geen woorden voor. En dat is maar goed ook.